1          Het wachtgeld vervalt:

a          met ingang van de dag, volgende op die, waarop de rechthebbende is overleden;

b          met ingang van de dag, waarop de rechthebbende aanspraak gaat maken op pensioen uit hoofde van de betrekking, waaruit hij met het wachtgeld is ontslagen;

c          indien de rechthebbende weigert aan de hem in artikel 33 opgelegde verplichtingen te voldoen;

d          indien de termijn, zoals berekend volgens artikel 30 is verstreken;

e          indien de organen, die met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dan wel van de daarop aanvullende verzekeringen zijn belast, de uitkering beëindigen.

2          Het wachtgeld kan door de werkgever vervallen worden verklaard:

a          indien de rechthebbende onvoldoende medewerking geeft tot een geneeskundig onderzoek, dat strekt tot het aanvragen van invaliditeitspensioen of van een wettelijke uitkering wegens arbeidsongeschiktheid;

b          indien de rechthebbende geacht kan worden zich duurzaam in het buitenland te hebben gevestigd.

3          Het recht op wachtgeld kan in overleg tussen de werkgever en de rechthebbende geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een afkoopsom. De hiervoor benodigde schriftelijke regeling behoeft de goedkeuring van de bisschop.