IX WACHTGELDREGELING

1          Het wachtgeld wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen, bij nabe-taling. Met toestemming van de rechthebbende kan de uitbetaling in langere termijnen geschieden.

2          Na het overlijden van de rechthebbende wordt aan de nagelaten betrekkingen een uitkering verstrekt ter grootte van het wachtgeld, dat over de eerste drie maanden na overlijden zou zijn uitgekeerd.

            Onder nagelaten betrekkingen worden verstaan:

            -           de echtgenoot(note) van wie de overleden rechthebbende niet duurzaam gescheiden leefde;

            -           bij ontstentenis van een echtgenoot(note) als vorenbedoeld de minderjarige kinderen;

            -           bij ontstentenis van vorenbedoelde categorieën degenen, voor wie de overledene grotendeels voorzag in de kosten van het bestaan.

Aan degene die op wachtgeld is gesteld of voor wie is bepaald dat hij op wachtgeld zal worden gesteld, kan, indien hij elders inkomsten uit arbeid of bedrijf gaat verwerven, ter zake van de kosten, die aan de daartoe eventueel nodige verhuizing zijn verbonden, een vergoeding worden toegekend, indien bij gebreke van die vergoeding die arbeid of dat bedrijf door hem redelijkerwijze niet zijn te aanvaarden.
De deelneming aan de toepasselijke pensioenregeling door de rechthebbende wordt voortgezet, zolang hij geen andere arbeid ter hand genomen heeft. De uit die voortgezette deelneming voortvloeiende verplichtingen van de werkgever worden gehandhaafd voor de duur van de wachtgeldregeling.

1          Het wachtgeld vervalt:

a          met ingang van de dag, volgende op die, waarop de rechthebbende is overleden;

b          met ingang van de dag, waarop de rechthebbende aanspraak gaat maken op pensioen uit hoofde van de betrekking, waaruit hij met het wachtgeld is ontslagen;

c          indien de rechthebbende weigert aan de hem in artikel 33 opgelegde verplichtingen te voldoen;

d          indien de termijn, zoals berekend volgens artikel 30 is verstreken;

e          indien de organen, die met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dan wel van de daarop aanvullende verzekeringen zijn belast, de uitkering beëindigen.

2          Het wachtgeld kan door de werkgever vervallen worden verklaard:

a          indien de rechthebbende onvoldoende medewerking geeft tot een geneeskundig onderzoek, dat strekt tot het aanvragen van invaliditeitspensioen of van een wettelijke uitkering wegens arbeidsongeschiktheid;

b          indien de rechthebbende geacht kan worden zich duurzaam in het buitenland te hebben gevestigd.

3          Het recht op wachtgeld kan in overleg tussen de werkgever en de rechthebbende geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een afkoopsom. De hiervoor benodigde schriftelijke regeling behoeft de goedkeuring van de bisschop.

1          De hoogte van het wachtgeld ingevolge deze regeling is zodanig, dat het tezamen met de uitkering ingevolge de sociale verzekeringswetten en van de daarop aanvullende verzekeringen gedurende de eerste zes maanden gelijk is aan het laatstgenoten nettosalaris, gedurende de volgende drie maanden 80% en gedurende de volgende twee jaar 75% en vervolgens 70% van het salaris, voorzover van toepassing volgens artikel 30, lid 1.

2          Onder het laatstgenoten salaris wordt verstaan het salaris dat de rechthebbende op de dag vóór het ontslag genoot, met inachtneming van wijzigingen van de in artikel 13 bedoelde regeling.

3          Naar aanleiding van het bepaalde in het vorige lid ontvangt de rechthebbende tevens tenminste éénmaal per jaar een vakantietoeslag met inachtneming van artikel 18.

1          Indien de rechthebbende met ingang van de dag waarop het wachtgeld is ingegaan, uit arbeid of bedrijf inkomsten gaat genieten, worden deze inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht, indien en voorzover zij tezamen met het wachtgeld en de WW-uitkering meer bedragen dan het laatstgenoten salaris.

2          Op het wachtgeld komt in mindering een eventuele uitkering ingevolge de Ziektewet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering of een daarop aanvullende verzekering, tenzij deze betrekking hebben op een vorige of andere dienstbetrekking.

1          Het wachtgeld wordt toegekend gedurende drie maanden, vermeerderd met drie maanden voor elk vol dienstjaar, met dien verstande dat bij toepassing van deze bepaling ten hoogste 10 dienstjaren, die de rechthebbende als werknemer bij een of meer kerkelijke instellingen heeft volbracht, in aanmerking worden genomen.

2          Voor de rechthebbende, die binnen vijf jaren na de datum van zijn ontslag de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken en op de datum van zijn ontslag tenminste tien dienstjaren ononderbroken bij een of meerdere kerkelijke instellingen heeft volbracht, wordt de duur van het wachtgeld verlengd tot het bereiken van die leeftijd.

1          De rechthebbende is verplicht na de aanzegging van het ontslag onverwijld zorg te dragen, dat hij als werkzoekende is ingeschreven bij het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening.

2          De rechthebbende is verplicht gebruik te maken van een hem geboden mogelijkheid om inkomsten uit arbeid of bedrijf te krijgen voorzover naar het oordeel van het Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening de geboden mogelijkheid inhoudt, dat aan de rechthebbende passende arbeid wordt verschaft.

3          De rechthebbende is verplicht aan de werkgever opgave te doen van het bedrag der inkomsten uit arbeid of bedrijf, zomede van uitkeringen die ingevolge een wettelijke regeling worden genoten.

1          Aan de werknemer met een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd, wiens arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door:             a          hetzij opheffing van zijn betrekking;

            b          hetzij reorganisatie, waardoor zijn werkzaamheden overbodig zijn geworden;

            c          hetzij ongeschiktheid voor ten behoeve van de werkgever te vervullen functies anders dan door ziels- of lichaamsgebreken, terwijl dit niet aan zijn schuld of toedoen is te wijten;

             wordt met ingang van de dag van de beëindiging door de werkgever een wachtgeld toegekend overeenkomstig de hierna volgende bepalingen. Dit wordt schriftelijk vastgelegd tussen de werkgever en de werknemer of diens vertegenwoordiger en door de bisschop getoetst op correctheid.

2          Het wachtgeld is een aanvulling op uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetgeving en daarop aanvullende verzekeringen.

3          Geen wachtgeld wordt toegekend, indien en voorzover de organen, die met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en daarop aanvullende verzekeringen zijn belast, het wachtgeld in mindering brengen op de uitkeringen krachtens de desbetreffende wetten.

4          Voorzover het recht op wachtgeld samenvalt met het recht op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW) of de Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) zal in de plaats daarvan een bruto bedrag worden berekend over de maximumperiode, waarover de rechthebbende recht heeft op deze uitkering en worden uitbetaald in één totaalbedrag.

5          Indien het recht op wachtgeld eindigt binnen de periode als bedoeld in het vierde lid kan de werkgever het verschil tussen het uitgekeerde totaalbedrag en het bedrag berekend over de werkelijke periode van de rechthebbende terugvorderen.